Functiebeperkingen
Een (relatief) grote kansengroep in het Hoger Onderwijs is de groep Studenten met een Functiebeperking.
Een student met een functiebeperking heeft een 'blijvende of langdurige uitval' op 'een of meerdere lichaamsfuncties' opgesomd in de 'International Classification of Functioning'.
'Blijvend of langdurig' wil zeggen dat er sprake is van een uitval van minstens 12 maand of waarbij een uitval van 12 maand in de toekomst voorzien wordt. Dit uiteraard om een onderscheid te maken met de gebroken benen van studenten-die-op-skiverlof-zijn-geweest, die uiteraard een heel andere categorie vormen.
De Wereldgezondheidsorganisatie stelde de International Classification of Functioning (ICF) samen. De ICF biedt een overzicht van codes waarmee het functioneren van een persoon (en een eventuele uitval) beschreven kan worden. Als basis voor de ICF werd het handicapcreatiemodel van Fougeyrollas gehanteerd. Volgens dit model ontstaat een
handicapsituatie in de wisselwerking tussen persoonlijke en omgevingsfactoren. Voor
Fougeyrollas is de graadmeter van de handicap die een persoon ervaart, dus de mate
waarin die persoon in de uitoefening van zijn levensgewoonten wordt belemmerd. Tegenover iedere belemmering kan een facilitator staan, waardoor de handicapsituatie kan worden voorkomen of teniet gedaan. Deze functie(beperking)georiënteerde benadering heeft als voordeel dat de globaal medische etiketten geanalyseerd kunnen worden in hun functionele componenten, waardoor ook de mogelijke handicapsituaties in kaart gebracht kunnen worden.
Deze groep staat grosso modo uit een zevental groepen:
- studenten met motorische functiebeperkingen,
- studenten met auditieve functiebeperkingen,
- studenten met visuele functiebeperkingen,
- studenten met chronische aandoeningen,
- studenten met leerstoornissen,
- studenten met geestelijke gezondheidsproblemen.
- studenten met meervoudige aandoeningen en andere.
Cijfers
Officiële cijfergegevens over deze doelgroep zijn er helaas niet. De problematiek van registratie van deze groep wordt elders toegelicht. Hier kunnen we enkel toevoegen dat een degelijke registratie betrouwbare en accurate cijfergegevens zal opleveren, die uiteraard ook voor een beter afgestemde begeleiding zal kunnen zorgen. Momenteel loopt een testfase voor de registratie in een groot aantal instellingen. Hopelijk kunnen we dus binnenkort beter cijfermateriaal presenteren voor Vlaanderen. In de tussentijd moeten we uitgaan van schatting en vergelijkingen met het buitenland.
Uit vergelijking met Nederland en Engeland blijkt dat ervan kunnen uitgaan dat om en bij de 8% van de studenten een functiebeperking heeft. Uit voorlopige cijfers blijkt dat amper 2% van de studenten geregistreerd staat bij de instelling als hebbende een functiebeperking. Dat kan enerzijds betekenen dat er nog ongelofelijk veel werk om deze studenten te doen instromen in het hoger onderwijs en/of dat er anderzijds nog veel werk is om deze studenten accuraat te registreren.
Bij gebrek aan statistische gegevens mbt studenten met functiebeperkingen in Vlaanderen, verwijzen we hier naar Nederlands onderzoek. Deze gegevens zijn dus slechts indicatief voor de studievoortgang van studenten met functiebeperkingen in Vlaanderen. Belangrijke kanttekening is dat er in Nederland al geruime tijd beleidsaandacht uitgaat naar de problematiek van handicap in het hoger onderwijs. Het Nederlandse equivalent van het expertisecentrum leren en werken met een functiebeperking in het hoger onderwijs, Handicap&Studie, werkt al sinds 1945 aan structurele verbeteringen van het beleid van overheid en instellingen hoger onderwijs. Zo was er in 2004 het Impulsprogramma, waarbij de overheid 3 miljoen euro uittrok om in instellingen projecten uit te werken ter ondersteuning en begeleiding van studenten met een handicap. Studenten met functiebeperkingen genieten ook al ruimte tijd een bijzonder statuut in het stelsel van prestatiebeurzen (studiebeurzen die worden omgezet in een lening als de student niet snel genoeg afstudeert). Bij meer dan 80% arbeidsongeschiktheid, wordt de prestatiebeurs omgezet in een gift. Ook kan de beurs eenmalig met een jaar worden verlengd op vertoon van de nodige medische verklaringen.
Ondanks de vele faciliteiten en ondersteunende diensten, erkent de Nederlandse overheid de blijvende risico’s op studievertraging bij deze doelgroep. Het beleid en de voorzieningen voor studenten met functiebeperkingen heeft in vergelijking in Vlaanderen nog een lange weg af te leggen. De Nederlandse cijfers zijn dus allicht een onderschatting van de Vlaamse problematiek.
De bevraging van het Verwey-Joncker Instituut toont aan dat in Nederland 11 tot 15% van de studenten één of meer functiebeperkingen heeft. Het onderzoek maakt gewag van 10 categoriën functiebeperkingen: dyslexie, psychische beperkingen en volgende lichamelijke beperkingen: (langdurige) pijn, beperkingen in bewegen, in zien, in horen, in spreken, in uithoudingsvermogen, concentratieproblemen, chronische vermoeidheid, chronische aandoening. De definitie die het onderzoek hanteert is dus behoorlijk ruim en de registratie gebeurt op basis van een zelfrapportage van de studenten door een bevraging naar beperkingen in het functioneren.
Zoals Jan Nagtegaal, toenmalig hoofd van Handicap en Studie zei: ‘Het is allemaal een kwestie van tijd. Studenten met functiebeperkingen kunnen alles, maar het kost hen meer tijd om examens te maken, schriftelijk materiaal te bestuderen, werkstukken en eindwerken te schrijven, stages en pratica te volgen…’. Studievertraging als gevolg van
functiebeperkingen is dus een reëel gegeven:
De gemiddelde leeftijd van alle studenten in het HO is één jaar lager dan de gemiddelde leeftijd van de studenten met functiebeperkingen. Op het moment dat de enquête werd ingevuld, hadden 52% van de studenten met beperkingen vertraging opgelopen. Bij de studenten met dyslexie liep 57% achterstand op. Van de studenten met psychische klachten had 65% al studievertraging opgedaan. Van de studenten met concentratieproblemen rapporteerde 67% een achterstand en studenten met chronische vermoeidheidsklachten spanden de kroon met 71%.
De gemiddelde vertraging bedroeg 11 maanden voor de hogeschoolstudenten en 14 maanden voor de universiteitsstudenten. Het verschil van de feitelijke met de nominale studieduur valt natuurlijk pas aan het eind van de studies te meten (op het moment van de bevraging zat de gemiddelde student in het 3de jaar van zijn studie).
Van de studenten die vertraging oplopen geeft 84% te kennen dat zijn functiebeperking er een rol in speelde. De student kan periodiek uitgeschakeld zijn door een ziekenhuisopname, medische behandeling of revalidatie (in 41% van de gevallen). Vaak is het standaard tempo van de studie niet haalbaar (41% meldt dit) omdat het bestuderen van schriftelijk materiaal meer tijd kost, omwille van concentratie of energieproblemen... Het zoeken en uitvoeren van stages en praktijkopdrachten werkt vertraging ook in de hand. Ook de afwezigheid van gepaste onderwijsvoorzieningen of hulpmiddelen is een oorzaak die de studenten aanhalen.
Van de studenten met functiebeperkingen heeft één derde al overwogen om de studies stop te zetten (19% zelfs af en toe). Hier zijn ook verschillen per functiebeperking. Bij chronische vermoeidheidsklachten loopt dat aantal op tot 47%, bij psychische klachten tot 45% en bij concentratieproblemen tot 41%. Deze studenten ervaren ook een hogere werkdruk. Er is een sterke samenhang tussen ervaren werkdruk, vertraging en de overweging om te stoppen.
Er zijn dus duidelijke aanwijzingen dat studenten met functiebeperkingen belemmeringen tegenkomen tijdens hun studies die tot vertraging leiden en in het ergste geval zelfs tot drop out. Beleidsmaatregelen kunnen een positief effect op het aantal en de ernst van de ervaren belemmeringen, zo blijkt. In 2001 lag het percentage studenten dat bij een soortgelijke enquête studievertraging rapporteerde 7% hoger. Maar zelfs bij een perfect inclusief hoger onderwijsbeleid, zullen er studenten zijn die periodiek uitvallen door ziekte, zullen er studenten met concentratiestoornissen of chronische vermoeidheid blijven die het standaard tempo niet aankunnen…
Een succesvolle studiecarrière voor studenten met functiebeperkingen vergt niet minder maar net méér middelen. Functiebeperkte studenten toeleiden naar een diploma vergt immers extra inspanningen van de hoger onderwijsinstellingen. Reeds meerdere adviezen suggereerden in het verleden de installatie van aanspreekpunten en
zorgcoördinatoren, om deze extra omkadering en ondersteuning van studenten met functiebeperkingen te institutionaliseren in het instellingsbeleid. Deze zorgcoördinator, verbonden aan de instelling heeft een uitgebreid takenpakket. Hij doet vooraf aan prospectie en analyse van het curriculum, volgt de studie-oriëntering verder op met het perspectief op latere tewerkstelling. De zorgcoördinator moet ook pedagogische en persoonlijke assistentie regelen, de procedures voor onderwijsleermiddelen begeleiden, de onderwijsgebonden mobiliteit organiseren en een oplossing voor
de lesnotities voorzien, en tenslotte speelt de zorgcoördinator een belangrijke rol in de vorming en het sensibiliseren van de hele instelling.
Welke zorgverstrekking nodig is, welke de tijdbesteding is van deze dienstverlening, en wat het financiële plaatje ervan, werd uitvoerig onderzocht in het OBPWO-onderzoek onder leiding van Professor Lammertyn. Er werd een tijdsmeting gemaakt van de dienstverlening aan studenten met functiebeperkingen, uitgevoerd door de zorgcoördinatoren in diverse onderwijsgerelateerde assistentiedomeinen. De hoogste tijdsinvestering blijkt te gaan naar studenten met mobiliteitsproblemen, al dan niet in combinatie met problemen met het immuniteitssysteem en beperkingen in het functioneren van de bovenste ledematen. Ook zintuiglijke beperkingen en dyslexie vergen een belangrijke tijdsinvestering.
Uit de meting bleek er dat er ook een belangrijk verschil in tijdsinvestering was naargelang de student zich voor het eerst aanmeldde in een bepaalde studierichting. Een zorgcoördinator heeft dus een belangrijke onthaalfunctie. Ook een functiebeperking die tijdens hetzelfde academiejaar evolueert kan ook meer en nieuwe assistentiebehoeften creëren. De bijsturing van de ondersteuning is hier vergelijkbaar met een nieuwe aanmelding en brengt een significant grotere tijdsinvestering met zich mee. Een extra weging voor deze doelgroep is absoluut noodzakelijk.
