|
Vicerector onderwijsbeleid van de K.U.Leuven Ludo Melis klaagt in De Standaard van twintig september dat door de flexibilisering de organisatie van het hoger onderwijs moeilijk geworden is. Er is onvoldoende samenhang en er moeten dringend grenzen gesteld worden aan het aanbod van studierichtingen en de doorstroming, zo stelt hij.
De Vlaamse Vereniging van Studenten (VVS) is verheugd dat Melis het probleem ontdekt heeft. Als Vlaamse studentenkoepel waarschuwde VVS al sinds de invoering van de flexibilisering in 2004 voor de concrete gevolgen en problemen die de implementatie ervan zou meebrengen. Twee jaar geleden kreeg Melis, toen reeds vicerector, al in zijn eigen instelling van de studenten te horen dat er een nakend tekort zou zijn aan studietrajectbegeleiders. “Studietrajectbegeleiding is onderge?nancieerd, onderbemand en overbevraagd,” stelden de studenten toen. “Aangezien sommige faculteiten nu al slechts één studietrajectbegeleider voorzien voor drieduizend studenten, komen hier gegarandeerd vodden van. We hoeven immers geen tekeningetjes te maken om uit te leggen dat de nood nog zal stijgen in de diplomaruimte.”
Misschien had Melis toen beter de oren gespitst. Twee jaar later is het immers duidelijk dat waar de studenten openlijk voor waarschuwden intussen realiteit is geworden.
Het probleem is echter niet de flexibilisering op zich. Integendeel. Een flexibel traject laat de student toe om zijn programma te verrijken naargelang eigen interesses en vaardigheden. Het probleem zit hem in de implementatie. De instellingen klampen zich nog angstvallig vast aan het oude systeem van studiejaren. Buiten een cosmetische ingreep die studiejaren hernoemde naar studiefasen veranderde er weinig.
Naar analogie met het vroegere jarensysteem werden modeltrajecten voor bachelors opgesteld. Tijdens hun eerste jaar komen voltijdse studenten bijna automatisch in zo’n traject terecht. Het probleem begint echter wanneer ze op enkele vakken niet slagen en deze naar de tweede studiefase (jaar), moeten meenemen. Daar is het de bedoeling dat ze het ‘modeltraject’ blijven volgen - dus ook de vakken die inhoudelijk aansluiten op de vakken waarvoor ze niet slaagden. Ondanks de ‘flexibilisering’ bleef het systeem dus - deels om de administratieve lasten te beperken - zoveel mogelijk gestandaardiseerd. Deze standaardisering remt echter het meer democratische karakter van de flexibilisering net af. Kansengroepen en werk- en zelfstandige studenten vallen hierdoor sneller uit de boot.
Om het probleem van de eindeloze herkansingen in te dijken werd het systeem van de studievoortgang ingevoerd. De student criminologie die verhaalde hoe hij zijn studies moet stopzetten (zie DS 20 september) illustreert deze gang van zaken. Immers: wie geen goede ‘studievoortgang’ kan voorleggen, mag zich niet meer inschrijven. Deze maatregel pakt echter louter de symptomen van het probleem aan, in plaats van in te zetten op preventie en informatie. Bovendien wordt er geoordeeld op basis van ‘studie-efficiëntie’, in plaats van in te zetten op de inhoudelijke opvolging van het studiepakket.
Volgens VVS ligt de oplossing in een beter uitgewerkte en gepersonaliseerde studie(traject)begeleiding. Dit vereist uiteraard ook meer en beter opgeleid personeel dat niet enkel ingrijpt wanneer het fout loopt, maar al vanaf het eerste jaar advies kan geven. De Vlaamse Vereniging van Studenten stelt dan ook voor dat instellingen studenten al bij de inschrijving duidelijke informatie meegeven over het creditsysteem. Studenten lopen nu immers nog te vaak verloren in het kluwen van vakken waaruit ze kunnen kiezen. Duidelijke vakomschrijvingen en inschrijfvoorwaarden zouden al een groot deel van de problemen oplossen.
Door een waaier aan voorbeeldtrajecten aan te bieden kunnen de studietrajectbegeleiders behouden blijven voor de echte complexe gevallen. Studenten met bijvoorbeeld leermoeilijkheden, zouden dan vanaf de aanvang van hun studie een traject van 40 in plaats van de standaard 60 studiepunten per academiejaar kunnen opnemen. Een goed uitgebouwd informaticasysteem die vakregistratie mogelijk maakt, lost verder een deel van de administratieve last op, zeker op piekmomenten.
Verder moet er ook niet enkel aan studievoortgangbewaking gedaan worden, maar ook aan een goed doordachte volgtijdelijkheid. In een echt creditsysteem is het immers logisch dat een student eerst een basiscursus economie volgt voordat hij of zij hierin een mastervak kan volgen. Zo sluit je een aantal achterpoortjes, bescherm je studenten tegen verkeerde keuzes en blijft de kwaliteit van de vakken behouden.
Er is duidelijk nog veel werk aan de winkel. Het flexibiliseringsdecreet en vooral de praktische uitwerking hiervan vraagt om dringend herzien te worden. Herzieningen aan het systeem mogen er enkel komen wanneer ze gebaseerd zijn op gefundeerde analyses en cijfermateriaal, niet op opinies en giswerk zoals nu te vaak in de media gebeurt. Als het Vlaamse hoger onderwijs echt flexibel wil zijn, mogen instellingen niet vastklampen aan de principes van het vroegere diplomasysteem. Ze moeten daarentegen echt inzetten, ook via personeel, op een volwaardig creditsysteem. Eens uitgewerkt zou zo’n systeem niet enkel de democratisering van het hoger onderwijs moeten bevorderen, maar ook een meerwaarde betekenen van de opleidingen.
|