Erasmus +

Erasmus + moet een opvolger worden voor de huidige Europese en internationale (uitwisselings)programma's voor onderwijs, vorming, sport en jeugd.

1.Wat vooraf ging

Tot nu toe bestaat er een variëteit aan uitwisselingsprogramma's op Europees niveau voor wat betreft onderwijs, vorming, sport en jeugd. In november 2011 stelde de Europese Unie het nieuwe programma 'Erasmus for all' voor, dat in juni 2013 uiteindelijk Erasmus+ werd gedoopt.

2.Stand van zaken

Het programma integreert de bestaande Europese onderwijs- en vormingsprogramma's: Erasmus, Leonardo da Vinci, Comenius, Grundtvig, Youth in Action, Erasmus Mundus, Tempus, Alfa, Edulink en het programma voor samenwerking met geïndustrialiseerde landen. Het Erasmus+ programma moet het ambitieuze doel om de mobiliteit van de lerenden te verhogen, helpen realiseren, zowel in het leerplichtonderwijs, het hoger onderwijs en het volwassenenonderwijs als in het beroepsgericht onderwijs. De Europese Commissie wil ook dat de programma's meer impact hebben op de innovatie van de onderwijssystemen en dat er een sterkere link is met de Europese onderwijsdoelstellingen. Daarom legt het nieuwe programma de klemtoon op de leerkrachten en docenten: zij kunnen immers zorgen voor een multiplicatoreffect. Het mobiliteitsprogramma moet ook effectiever en beheersbaarder zijn.

Tegelijk moet de planlast voor de aanvragers afnemen. Het samenvoegen van programma's zal de efficiëntie verhogen, de aanvraag van beurzen vereenvoudigen en de fragmentatie van het huidige systeem verminderen. De bedoeling is om dit systeem vanaf 2014 in werking te laten treden.

De middelen die in dit nieuwe systeem besteed worden aan ontwikkeling van kennis en vaardigheden zijn een behoorlijke uitbreiding op de huidige middelen. Het idee waarop Erasmus+ gebaseerd is, is dat een investering in opleiding en vorming mensen ertoe aanzet hun eigen potentieel te ontdekken, ongeacht leeftijd of achtergrond. Het is een hulp bij de persoonlijke ontwikkeling, het aanleren van nieuwe vaardigheden en het uitbreiden van de eigen jobmogelijkheden.

Een opvallend concreet voorstel is de leninggarantie die men wil voorzien voor Erasmusmasterstudenten. De voorgestelde EU-studieleningfaciliteit is toegespitst op masterstudenten die in een ander Europees land studeren. Masteropleidingen zijn in de Europese context doorgaans duurder dan opleidingen voor undergraduates. Het initiatief zal eventuele nationale financieringsregelingen aanvullen.

3.De toekomst

Het nieuwe programma wekt de indruk vooral mobiliteit in het hoger onderwijs te stimuleren. Het levenslang leren wordt wel vermeld als een belangrijk doel, maar het wordt te weinig vertaald in concrete actiepunten. Het valt op dat formele en vooral informele leerervaringen door mobiliteit van volwassenen nauwelijks worden vermeld. Het volwassenenonderwijs wordt in het voorstel gelijkgesteld met Erasmus-training. Dat verengt de scope van het volwassenenonderwijs.

Het eerste voorstel zorgde ook voor heel wat teleurstelling bij de jeugdsector. Het zette immers heel wat mogelijkheden van het huidige programma 'Jeugd in Actie' op de helling.

De Raad van ministers van 11 mei 2012 aanvaardde enkele belangrijke wijzigingen in het Erasmus+ programmavoorstel. De belangrijkste verandering is ongetwijfeld het toevoegen van een apart hoofdstuk Jeugd, met eigen specifieke doelstellingen waaronder actief burgerschap, sociale inclusie en solidariteit. Kwaliteitsverbetering van het jeugdwerk maar ook Europese samenwerking inzake jeugdbeleid krijgen hier de plek die ze verdienen.

Daarnaast krijgen projecten als de jongereninitiatieven en projecten rond burgerschap en participatie alsnog een plek. Ook de eerder geschrapte ondersteuning van de internationale jeugd NGO's duikt weer op, net als de activiteiten van de (huidige SALTO) resource centra voor jeugdwerk.

Tenslotte wordt ook een eigen budget voor dit Jeugd luik voorzien. Over hoeveel geld het gaat, moet later duidelijk worden.

Dit unanieme akkoord van de Raad (of 'partial general approach') heeft geen echte juridisch bindende kracht. De Raad geeft hiermee wel een mandaat aan het voorzitterschap om de onderhandelingen met het Europese Parlement aan te vatten. Die zijn gestart onder het Cypriotische voorzitterschap (tweede helft 2012), en gaan voort onder het Ierse voorzitterschap (eerste helft 2013). Onder het Cypriotische voorzitterschap is er geen noemenswaardige vooruitgang geboekt.

Met dit voorstel is een eerste belangrijke stap gezet, maar de weg is nog lang. België zal op een constructieve manier de belangen van de jeugdsector blijven verdedigen en een zo goed mogelijke opvolger van 'Jeugd in Actie 2007-2013' op de Europese tafel proberen te leggen.

4.Links en contact

http://ec.europa.eu/education/erasmus-for-all/

http://www.nuffic.nl/studiebeurzen/leven-lang-leren-erasmus/erasmus-for-all

Stafmedewerker: Annelies Raveydts, internationaal@vvs.ac