Mobiliteitsactieplan

Het Leuven-communiqué stelt dat tegen 2020, 20% van de studenten een internationale ervaring moet opdoen. Om deze norm te halen werkt de Vlaamse regering aan een mobiliteitsactieplan.

1.Wat vooraf ging

In 2009 hebben de ministers die de Bolognaverklaring ondertekenden, een extra doelstelling toegevoegd aan het Bolognaproces. In het zogenaamde Leuven-communiqué engageren de ministers zich om er tegen 2020 voor te zorgen dat binnen hun hoger onderwijs 20 procent van de studenten na hun studies een internationale ervaring heeft opgedaan. Om die doelstelling te realiseren moet Vlaanderen dat percentage studenten uitsturen voor een internationale ervaring en ruimte voorzien om evenveel jongeren te ontvangen.

Minister Pascal Smet stelde in dit verband een actieplan op om de internationale mobiliteit van studenten te bevorderen. VVS vertegenwoordigde in dit proces de stem van student om kwaliteitsvolle internationale ervaringen toegankelijk te maken voor iedereen.

2.Stand van zaken

Het kabinet stelde een mobiliteitsactieplan op, genaamd "brains on the move", op basis van de reeds afgeronde taskforce mobiliteit.

2.1 Strategische doelstelling mobiliteit

De discussie liep rond verschillende punten. Ten eerste is er de vraag naar de strategische doelstelling van mobiliteit. De basis hiervoor is de 20%-doelstelling. De Vlaamse regering wil echter verder gaan en mikken op 33%. De vraag is dan wat wordt beschouwd als mobiliteit. Op dit moment worden de normen van een verblijf van minimum 3 maanden en 15 ECTS gebruikt. De taskforce nam echter andere denkpistes in overweging. In het licht van de 20%-doelstelling is voor de task force de primairedoelstelling het verwerven van internationale en interculturele competenties via kwaliteitsvolle mobiliteit in het buitenland. Het actieplan maakt hierbij een onderscheid tussen:

  • vakspecifieke competenties (competenties binnen de eigen discipline)
  • meer generieke competenties die tevens in 4 grote groepen kunnen onderverdeeld worden: persoonlijke competenties, interculturele competenties, taalbeheersing en 'global civic' competenties) en
  • disciplinary learning (systeem en cultuur binnen de discipline in verschillende landen vergelijken).

Deze competenties kunnen verworven worden via verschillende soorten vormen van mobiliteit. Daarbij ziet het actieplan 4 soorten waardevolle mobiliteiten:

  1. Opleidingsonderdelen in buitenland; zoals bv. Erasmus of joint degrees
  2. Stages/werkplekleren in buitenland zoals bv. Erasmus of stages bij bedrijven
  3. Onderzoek in het buitenland bv. in het kader van de thesis of doctoraat
  4. Andere verblijven: extra-curriculaire activiteiten zoals: deelname aan studentenconferenties, volgen van korte initiatieven van de United Nations, sommige summer courses, …

Het verwerven van competenties bij deze laatste categorie kan gevalideerd worden binnen de instelling/opleiding via ECTS of een vorm van EVC. Het systeem van validatie via ECTS is gekend binnen de instellingen. Voor het valideren via een vorm van EVC zal een kader uitgewerkt moeten worden voor de operationalisering hiervan. Voor het berekenen van de 33% zullen enkel ervaringen van minimum 10 ECTS meegeteld worden.

2.2 Operationele doelstellingen mobiliteit

Ten eerste moeten een heleboel maatregelen ervoor zorgen dat jongeren gestimuleerd worden om een internationale ervaring op te doen. Instellingen moeten good practices uitwisselen over hun informatiebeleid en er moeten zogenaamde mobility windows komen voor zowel uitgaande als inkomende studenten. Dat zijn een vast pakket vakken die men kan volgen aan de gastuniversiteit zodat de kwaliteit van de vervangvakken kan gegarandeerd worden en de student zelf geen zoektocht naar equivalente vakken hoeft te ondernemen. Ook stages kunnen hierbinnen georganiseerd worden.

De overheid wil ook het organiseren van gezamenlijke opleidingen stimuleren met kleine aanloopsubsidies en tegelijkertijd het internationale karakter van het eigen hoger onderwijslandschap versterken. Zo verwerven ook studenten die zelf niet in het buitenland kunnen of willen studeren, internationale en interculturele competenties. De Vlaamse overheid wil een aantal initiatieven in het kader van internationalisation@home ondersteunen vanuit centraal niveau. Bovendien zal ze een oproep lanceren tot de organisatie van internationale zomercampussen en intensieve vormingsprogramma's.

Ook wat betreft inkomende mobiliteit, worden er initiatieven genomen. Op overkoepelend Vlaams niveau (in samenwerking met het Departement Internationaal Vlaanderen) zullen er maatregelen worden uitgewerkt om het onthaalbeleid voor buitenlandse studenten nog verder te verbeteren en te optimaliseren. Ook zouden er beurzen moeten komen voor internationale topstudenten.

Bij het aantrekken en uitsturen van studenten wil de regering meer rekening houden met evenwicht wat betreft de landen en studiegebieden. Het versoepelen van de taalregeling kan in deze helpen om meer inkomende studenten aan te trekken. De regering wil dan ook het belang van het aanbieden van Engelstalige vakken (naast hun Nederlandstalige equivalent) benadrukken. De beheersing van de onderwijstaal door de docenten moet hierbij van onberispelijke kwaliteit zijn.

Voor werkplekleren in een internationaal kader komt speciale aandacht. Een stage binnen de opleiding in het buitenland is nu al mogelijk, maar moet nog meer gefaciliteerd worden. Buitenlandse stages na het afstuderen stellen op dit ogenblik nog heel wat problemen (o.a. in verband met verzekeringen), waarvoor actief op zoek gegaan wordt naar oplossingen.

Ten tweede is er de vraag hoe mobiliteit moet geregistreerd worden. Gelet op het Vlaamse streefdoel om 33% uitgaande mobiliteit te behalen, moet er een systeem van rapportering uitgewerkt worden. Daarnaast moet ook inkomende creditmobiliteit en inkomende en uitgaande diplomamobiliteit kunnen geregistreerd worden. De Vlaamse regering wil ook zicht krijgen op andere vormen van buitenlandse ervaringen, die via ECTS of EVC zullen gevalideerd worden. Een eenvormig registratiesysteem moet dus uitgewerkt worden.

2.3 Kwaliteit van mobiliteit versterken

Er is discussie over de kwaliteitsbewaking. De kwaliteit van mobiliteit moet gekoppeld worden aan het validatieproces van de competenties. Deze validatie kan enkel gebeuren op basis van op voorhand beoogde doelstellingen gelinkt aan leerresultaten of learning outcomes.

Moeilijker wordt het echter om aspecten te valideren die buiten het curriculum vallen. Er zal moeten nagegaan worden hoe men dit in de praktijk zal kunnen toepassen en hoe men ook hiervan de kwaliteit zal kunnen waarborgen. Een algemeen kader zal moeten uitgeschreven worden op basis van discussie en afspraken, met voldoende aandacht voor de autonomie van de instellingen. De task force ziet dit als een mogelijk volgende opdracht.

Wat betreft het beleid van de instellingen, kan de instelling al een bijzonder kwaliteitskenmerk aanvragen aan de NVAO. 'Internationalisering' zou zo'n kenmerk kunnen zijn. Daarnaast zullen ook tijdens de toekomstige instellingsreviews beleidsprocessen, waaronder internationalisering, bekeken worden. Er zal ook een tool ontwikkeld worden die als adviserend instrument kan gebruikt worden bij de evaluatie van partnerschappen.

2.4 Financiering

Ten slotte wordt ook het financiële aspect onder de loep genomen. In het beleidsplan onderwijs 2009-2014 staat onder O.D 9.2 het volgende te lezen:

"Met mijn Europese collega's wil ik overwegen - in samenwerking met de Europese Investeringsbank -een stelsel van studieleningen voor de financiering van de mobiliteit op te zetten, alsook van een Europees fonds voor de financiering van de mobiliteit."

Dit kadert in het voorstel van de Europese Commissie tot het uitwerken van een EU-studieleningfaciliteit, die gebruikt zou worden om de mobiliteit in de master te verhogen.

Ook de beurzen worden herbekeken. Er zou een centrale uitbetaling moeten komen van de basisbeurzen. Die kan dan aangevuld worden met beurzen voor bijvoorbeeld ondervertegenwoordigde groepen op instellingsniveau.

De financiering van extra beurzen voor ondervertegenwoordigde groepen in de instelling zou dan gebeuren via de mogelijkheden voorzien in het decreet rond de studentenvoorzieningen. Ook via het nog te ontwikkelen nieuwe aanmoedigingsfonds zou extra financiering kunnen gegeven worden aan studenten uit kansengroepen.

Ten slotte zal men bekijken hoe men instellingen financieel kan aanmoedigen om in te zetten op mobiliteit.

3.De toekomst

Het standpunt van VVS werd aan de minister en de verschillende adviesorganen bezorgd. Het actieplan werd intussen goedgekeurd door de Vlaamse Regering. VVS zal blijven proberen om de belangen van studenten in dit dossier te vertegenwoordigen, om in samenspraak met andere partners tot een optimale uitwerking te komen.

VVS vindt dat de voorwaarden voor mobiliteit om bij die 20% gerekend te worden zo streng mogelijk gesteld moeten worden. Op die manier worden de instellingen aangezet om meer inspanningen te leveren op het gebied van internationale mobiliteit. Bovendien primeert voor VVS kwaliteit op kwantiteit; eerst moet de kwaliteit van de uitwisselingen op een hoog niveau gebracht worden voor die wordt uitgebreid.

Aangezien het niet aan alle instellingen en in alle opleidingen mogelijk is een uitwisseling te doen die aan al deze factoren tegelijk voldoet, stelt VVS voor een cumulatief programma in te voeren, waarbij niet alle verblijven aan alle voorwaarden tegelijk moeten voldoen.

Verder denkt VVS dat het uitvoeren van de plannen van minister Smet bemoeilijkt zullen worden door de restricties die worden opgelegd metde nieuwe taalregeling. Een van deze restricties zegt dat in een Nederlandstalige bachelor een student slechts 33 studiepunten in een andere taal dan het Nederlands mag opnemen. Dat zorgt ervoor dat internationale studenten slechts één semester bij ons les kunnen volgen. Als wij minder studenten kunnen opvangen, verminderen uiteraard ook de mogelijkheden om onze studenten uit te sturen. VVS pleit dus voor een verdere versoepeling van de taalregeling om dit alles te kunnen verwezenlijken. Dit mag echter niet ten koste gaan van de eigen studenten.

Wat betreft kwaliteitsbewaking, vindt VVS dat er naast de bestaande ideeën ook plaats moet zijn voor het visiteren van het kader dat een instelling gebruikt om partners te kiezen.

Ten slotte ziet VVS veel problemen in de voorstellen tot financiering. Ten eerste vrezen we voor een negatief effect op de beurzen als het voorstel van een leninggarantie geïmplementeerd zou worden. Bovendien zou het op lange termijn ook een negatief effect kunnen hebben op de financiële situatie van de gegadigden. Ten tweede moet het beurssysteem helemaal herbekeken worden en gebaseerd zijn op de studie- en leefkost in het gastland. De speciale aandacht voor minder vertegenwoordigde groepen vindt VVS goed, maar er moet eerst nagegaan worden wat de problemen hier exact zijn alvorens oplossingen voor te stellen. Het idee om het Aanmoedigingsfonds of de middelen uit de studentenvoorzieningen hiervoor aan te wenden is in ieder geval geen optie voor VVS. Ten slotte denkt VVS dat het niet nodig is een mobiliteitsbonus in te voeren als incentive voor de instellingen, de internationale uitstraling zou al genoeg aanmoediging moeten zijn.

4.Links en contact

Stafmedewerker: Annelies Raveydts, internationaal@vvs.ac

VVS standpunt internationale mobiliteit:

http://www.vvs.ac/node/232

VLOR advies actieplan mobiliteit:

http://www.vlaanderen.be/nl/publicaties/detail/advies-over-het-actieplan...

Bolognaproces:

http://europa.eu/legislation_summaries/education_training_youth/lifelong_learning/c11088_nl.htm